Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV2545

Datum uitspraak2006-02-16
Datum gepubliceerd2006-02-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1560 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/1560 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 27 januari 2005, kenmerk JZ/Z70/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, aangevuld met een schrijven, gedateerd 28 februari 2005 van huisarts F.J.P. van Horne, is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2006. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door H. Smit, wonende te Oss, als haar raadsman terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in januari 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet alsmede een periodieke uitkering. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van gebeurtenissen welke hebben plaatsgevonden tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ en de daaropvolgende, zogenoemde Bersiap-periode. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 17 september 2002 op de grond dat weliswaar wordt aangenomen dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet - te weten internering in het kamp Lodjiweten tijdens de Bersiap-periode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteit. Dat standpunt was in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur van verweerster, welk advies berustte op een rapport van door de arts J.H. Husken op 16 augustus 2002 verricht medisch/psychiatrisch onderzoek waarbij is vastgesteld dat de bij eiseres aanwezige en aan haar aanvraag ten grondslag liggende psychische klachten geen relatie hebben met haar internering tijdens de Bersiap-periode en de bij haar aanwezige gewrichtsklachten als degeneratief zijn aan te merken. Tegen dat besluit heeft eiseres geen rechtsmiddel aangewend, zodat dat besluit tussen partijen rechtens verbindend is geworden. In maart 2004 heeft eiseres zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek haar te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Daarbij heeft eiseres met name aangegeven dat haar psychische klachten zijn verergerd en dat zij gebruik moet maken van rustgevende medicijnen. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 1 november 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond - kort gezegd - dat eiseres geen nieuwe medische feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die aanleiding geven het eerdere, naar aanleiding van haar aanvraag van januari 2002 ingenomen standpunt te herzien. In geding is de vraag of, gelet op hetgeen door eiseres in beroep naar voren is gebracht, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daartoe overweegt de Raad het volgende. De hiervoor genoemde aanvraag van maart 2004 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluit aangaande de aanvraag van januari 2002 inhoudende dat de psychische klachten van eiseres duidelijk andere oorzaken hebben dan haar internering tijdens de Bersiap-periode. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dat betekent dat de toetsing van de Raad slechts een terughoudende kan zijn. De Raad moet vaststellen dat eiseres haar onderhavige verzoek niet vergezeld heeft doen gaan van medische gegevens die nog niet bij verweerster bekend waren en het eerdere besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om haar eerder ingenomen standpunt omtrent de oorzaken van de bij eiseres aanwezige psychische klachten te herzien. In dit licht kan de Raad het ook niet onjuist of onzorgvuldig achten dat verweerster ten behoeve van haar besluitvorming in deze geen medisch onderzoek heeft laten plaats vinden. Wat betreft de in beroep ingebrachte verklaring van de huisarts F.J.P. van Horne, oordeelt de Raad dat deze geen ander licht op de zaak kan werpen nu de verklaring geen betrekking heeft op de geverifieerde calamiteit en bovendien tardief is. Gelet op het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer (get.) E. Heemsbergen